De Stelling 1049 Lelystad

CAO bgv 44 en 45 en 46


 

Kies hier een van onderstaande artikelen 44 , 45, 46 of terug naar index

Artikel 44

  1. Vergoeding ADR-certificaat

    Voor het behalen en periodiek in stand houden van het ADR-certificaat in opdracht van de werkgever, zal de werkgever de cursuskosten, het examengeld en de reiskosten (volgens de in dat jaar geldende fiscale maximum netto kilometervergoeding) vergoeden. Voorts zal de werkgever de terzake bestede cursustijd met een maximum van 40 loonuren (à 100%) vergoeden. Deze uren tellen niet mee bij de bepaling van het aantal overuren.

  2. Vergoeding certificaat

    vorkheftruckVoor het behalen en periodiek in stand houden van het certificaat vorkheftruck in opdracht van de werkgever en/of het periodiek in stand houden van het vorkheftruckcertificaat op verzoek van de werknemer, zal de werkgever de cursuskosten, het examengeld en de reiskosten (volgens de in dat jaar geldende fiscale maximum netto kilometervergoeding) vergoeden. Voorts zal de werkgever de terzake bestede cursustijd met een maximum van 40 loonuren (à 100%) vergoeden. Deze uren tellen niet mee bij de bepaling van het aantal overuren.
    naar boven

Artikel 45

Studiekostenregeling

De werkgever heeft de mogelijkheid terzake van de in de artikelen 43 en 44 genoemde kosten voor aanvang van de opleiding een studiekostenregeling aan z’n werknemers voor te leggen.
Deze studiekostenregeling verplicht de werknemer:
bij ontslagname van de werknemer binnen een jaar na het behalen van het diploma/certificaat:
75% van de kosten van de genoten opleiding terug te betalen;
bij ontslagname van de werknemer binnen twee jaar na het behalen van het diploma/certificaat:
50% van de kosten van de genoten opleiding terug te betalen;
bij ontslagname van de werknemer binnen drie jaar na het behalen van het diploma/certificaat:
25% van de kosten van de genoten opleiding terug te betalen.

naar boven

Artikel 46

Uitkering bij overlijden

  1. De werkgever dient na het overlijden van een werknemer aan de nabestaanden een uitkering te verstrekken.
  2. De uitkering wordt verstrekt over de periode vanaf de dag van overlijden tot en met de laatste dag van de 2e maand na die, waarin het overlijden plaatsvond.
  3. De uitkering moet worden berekend naar het laatst verdiende brutoloon dat de werknemer toekwam.
  4. De nabestaanden zijn:
    1. De langstlevende van de echtgenoten van wie de werknemer niet duurzaam
      gescheiden leefde danwel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde.3*
    2. Bij ontbreken van de onder a. bedoelde persoon, de minderjarige wettige of erkende natuurlijke kinderen.
    3. Bij ontbreken van de onder a en b bedoelde personen degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. 4*
  5. De uitkering mag alleen worden verminderd met de overlijdensuitkering welke de nabestaanden van de WAO/WIA ontvangen.
    3* Van ongehuwd samenleven is sprake indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke
    huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad.

    4* Van “leven in gezinsverband” is sprake, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in
    dezelfde woning, zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
    een bijdrage in de kosten van de huishouding, danwel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

naar boven

Copyright: jaclang.nl 2001 -2020